zondag
20 maart 2022

A-serie

Martijn Cornet en het Ragazze Quartet brengen een indringende versie van Schuberts Winterreise in een arrangement voor bariton en strijkkwartet. Winterreise neemt een centrale plaats in in het liedoeuvre van Schubert. De reeks van 24 liederen is oorspronkelijk geschreven voor zang en piano. Speciaal voor het Ragazze Quartet maakte arrangeur Wim ten Have een bewerking van de pianopartij.

Musici
Rosa Arnold, viool
Jeanita Vriens, viool
Annemijn Bergkotte, altviool
Rebecca Wise, cello
Martijn Cornet, bariton

Ragazze Quartet

Het Ragazze Quartet speelt klassieke en moderne strijkkwartetten, bevlogen en op het hoogste niveau. Met spraakmakende programma’s heeft het kwartet zich ontwikkeld tot een van de meest frisse en toonaangevende stemmen in de klassieke muziek. Met vernieuwende programma’s gaat het kwartet ook de samenwerking aan met andere kunstvormen: theater, dans en literatuur. Met optredens die appelleren aan alle zintuigen slagen ze erin een publiek te winnen voor de rijke klassieke muziektraditie. Zo enthousiasmeren ze zowel de doorgewinterde luisteraar als de nieuwkomer voor het strijkkwartetrepertoire van vroeger en nu.

Martijn Cornet

Bariton Martijn Cornet studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam onder de hoede van de befaamde Nederlandse sopraan en zangpedagoge Margreet Honig. Inmiddels heeft hij een glansrijke carrière opgebouwd. Hij zong in diverse operagezelschappen zoals de Early Company in Londen en de Opéra National de Lorraine. Diverse malen zong hij bij De Nationale Opera in Amsterdam in klassieke opera’s maar ook in wereldpremières van Peter-Jan Wagemans en Louis Andriessen.

PROGRAMMA
Franz SchubertWinterreise op. 89, D. 911
1. Gute Nacht
2. Die Wetterfahne
3. Gefror'ne Tränen
4. Erstarrung
5. Der Lindenbaum
6. Wasserflut
7. Auf dem Flusse
8. Rückblick
9. Irrlicht
10. Rast
11. Frühlingstraum
12. Einsamkeit (twee versies)
13. Die Post
14. Der greise Kopf
15. Die Krähe
16. Letzte Hoffnung
17. Im Dorfe
18. Der stürmische Morgen
19. Täuschung
20. Der Wegweiser
21. Das Wirtshaus
22. Mut
23. Die Nebensonnen
24. Der Leiermann

Franz Peter Schubert
1797- 1828

Franz Peter Schubert was een Oostenrijkse componist uit de klassiek-romantische periode. In zijn korte leven bouwde hij een enorm oeuvre op met daarin ruim zeshonderd liederen, maar ook vele orkest- en kamerwerken. Hoewel zijn talent al jong erkend werd slaagde hij er niet in de slag te maken naar de grote podia en rijke opdrachtgevers. Door zijn chaotische levensstijl was hij nauwelijks in staat zichzelf te onderhouden. In de winter van 1827, een jaar voor zijn dood, schreef de 30-jarige Schubert zijn Winterreise. Het is een van de meest bekende en beroemde liederencycli. De 24 liederen op teksten van Wilhelm Müller (1794-1827) weten luisteraars en musici over de hele wereld in vervoering te brengen. "Ik ben op deze liederen meer gesteld dan op alle andere die ik heb geschreven", heeft Schubert over Winterreise gezegd. Het laatste wat de componist deed toen hij in november 1828 op zijn sterfbed lag, was het corrigeren van de drukproeven.

Het verhaal van de Winterreise

Winterreise gaat over een man die is afgewezen door zijn geliefde en daarop besluit om op reis te gaan. De liederen beschrijven zijn reis door een kaal en verlaten winterlandschap dat de eenzaamheid van de reiziger reflecteert. In het eerste lied, ‘Gute Nacht’ , neemt de hoofdpersoon afscheid van zijn geliefde en besluit hij om te vetrekken. Vervolgens beschrijft ‘Die Wetterfahne’ hoe de wind rond het huis waait en de windhaan de reiziger lijkt te bespotten.

In het derde lied, 'Gefror'ne Tränen’, is de man inmiddels onderweg. Zijn tranen, die volgens hem heet genoeg zouden moeten zijn om de sneeuw te doen smelten, bevriezen in de kou. In de daaropvolgende liederen wordt hij geconfronteerd met herinneringen aan zijn geliefde. Hij trekt langs weilanden waar hij ooit een wandeling met haar maakte (‘Erstarrung’), een lindeboom waarin hij haar naam heeft gekrast (‘Der Lindenbaum’) en een bevroren beek, waar zijn tranen uiteindelijk in terecht zullen komen en waarin hij ook haar naam krast (‘Wasserflut’ en ‘Auf dem Flusse’). In ‘Rückblick’ kijkt hij vervolgens terug op zijn reis. Als hij aan de eerste ontmoeting met zijn geliefde denkt, wil hij nog eenmaal terugkeren.

Uit de rest van de cyclus blijkt dat er geen terugkeer meer mogelijk is. In het negende lied, ‘Irrlicht’, raakt de reiziger verdwaald in een rotskloof. Hij zit er niet mee, omdat alle wegen uiteindelijk naar hun doel zullen leiden. In ‘Rast’ stopt hij om uit te rusten en merkt hij hoe vermoeid hij is. In ‘Frühlingstraum’ lijkt het beter met hem te gaan. Hij droomt van de lente en de liefde, maar als hij wakker wordt is het koud en donker. Hij beseft dat hij geen geluk meer zal vinden, behalve in zijn dromen. Een vrolijke omgeving maakt hem alleen maar ellendiger (‘Einsamkeit’) en daarmee eindigt de eerste helft van de cyclus.

De meeste liederen in de tweede helft van de cyclus worden gekenmerkt door het naderen van en verlangen naar de dood. In 'Der Post' raast een snelle postkoets langs, maar helaas, zoals te verwachten was, heeft hij geen brieven voor hem bij zich. ('Der Post'). De rijp kleurt het haar van de reiziger grijs (‘Der greise Kopf’), waardoor hij gelooft oud te zijn, niet ver verwijderd van het graf, en een kraai vliegt met hem mee (‘Die Krähe’). Al zijn hoop richt hij op een boomblad, maar zijn hoop vervliegt als het blad op de grond valt (‘Letzte Hoffnung’). De reiziger komt langs een dorp met dromende mensen en geeft aan zichzelf toe dat hij alle dromen voorbij is ('Im Dorfe'). Hij vergelijkt zijn hart met een storm in ‘Der stürmische Morgen’ en laat zichzelf in ‘Täuschung’ misleiden door een licht dat hem een warm huis wijst. In ‘Der Wegweiser’ vraagt hij zichzelf af waarom hij op deze tocht zonder einde is vertrokken.

In het 21e lied, ‘Das Wirtshaus‘, lijkt de reis tot een einde te zijn gekomen. De hoofpersoon komt aan bij een kerkhof, voorgesteld als een herberg. Maar er is daar geen plaats voor hem. Hij zingt zichzelf moed in ('Mut') en gaat weer op weg. De reiziger lijkt vrolijk, maar verkiest in ‘Die Nebensonnen’ de duisternis boven het licht. In het laatste lied (‘Der Leiermann’), het dramatische hoogtepunt van de cyclus, ontmoet hij eindelijk iemand: een muzikant met een draailier. Niemand luistert naar hem, maar hij blijft maar spelen. De reiziger vraagt hem of hij met hem mee mag gaan. Over de betekenis van de muzikant wordt al eeuwenlang gediscussieerd. Mogelijk staat hij voor de dood.